
Een 'ijzeren baan' in de [buurschap Manen]
7 april 2025 om 15:52Toen in 1842 bij het bestuur van de buurschap Manen het bericht binnenkwam dat er een flink stuk grond onteigend zou worden voor de aanleg van een 'ijzere baan', zullen ze even wel geslikt hebben, maar veel is daar niet van te merken. Ze gingen snel akkoord met het bedrag van ruim 1400 gulden. Ze konden daar ook niet onderuit. Maar de aanleg van het spoor had voor de boerengemeenschap Maanderbuurt enorme consequenties.
Om te beginnen werden de boeren afgesneden van een deel van hun grondgebied. Alles ten noorden van het spoor werd veel moeilijker te bereiken. Maar door het kapitaal waar ze plotseling over konden beschikken ontstonden er ook nieuwe mogelijkheden. Het geld werd slim belegd in Staatsobligaties. De rente daarvan werd gebruikt voor het verbeteren van de wegen in de buurt.
De aanleg van de spoorlijn trok in 1842 veel werkzoekenden aan. Te vroeg waarschijnlijk, want pas in mei werden de onderhandelingen met de buurschap afgerond. Meer en eerder dan de organisatie aankom. Dat leidde in het eind van dat jaar tot allerlei onrust: 'De menigte vreemdelingen, welke in deze omstreken aan den spoorweg werken, hebben niet zonder grond eenigen angst onder de bewoners te weeg gebracht' meldde de regionale pers. Die arbeidsmigranten waren nodig om het tracé van spoor zo horizontaal mogelijk te leggen. De diepe insnijdingen tussen Ede en Wolfheze zijn door hen met schop en kruiwagen gemaakt.
Op de kruising van de ijzeren baan en de weg van Wageningen naar Ede kwam een halteplaats, die nieuwe mogelijkheden bood. In mei 1845 kreeg de secretaris van de buurt, A.C. Mulder, van zijn eigen buurschap een halve hectare hei aan die kruising in erfpacht. Hij voorzag dat wachtenden op de trein wel een kop koffie zouden lusten en vestigde daar een horecaonderneming.
Voordat het station werd aangelegd lag op die plaats de kruising tussen de weg die centraal van west naar oost door de buurt Manen liep en de noord-zuidroute van Ede naar Wageningen. Twee zandwegen in de heide. Ten noordwesten van die kruising begon de grote zandverstuiving die door liep tot ongeveer het huidige Beatrixplein en de Kerkweg.
Het enige gebouw dicht bij die kruising was een schaapskooi. Van de Keetmolen ten noorden van het station was nog geen sprake.
Maar dat veranderde na de aanleg van het spoor bijna continu en soms met reuzenstappen. Minder dan twintig jaar na de verkoop van de grond aan de Rijnspoorweg, was de zandweg verlegd en verbeterd. De obligaties werden verkocht en het geld werd gebruikt om een grindweg aan te leggen. Aan weerszijden van die grindweg ten noorden van het station kwamen kapitale huizen op ruime percelen. De drijvende kracht daarachter was Mulder. Het huidige Zwarte Laantje vormde de grens tussen de percelen aan de westkant en de zandverstuiving.
De heide rond het station was door het veel te intensieve begrazing met schapen en het halen van plaggen volkomen uitgemergeld. Het was voor de boeren vrijwel waardeloos geworden. Het stuk hei ten noorden van de spoorlijn heette niet voor niets 'Schraaljammer'. Maar door de komst van het station werd het ineens interessant voor ondernemers en steeg het in waarde.
De Maanderbuurt zelf veranderde mee en werd door al dat geld zakelijker. Niet tot ieders genoegen overigens, maar onontkoombaar.
Auteur: Gerrit Breman
